Betekenis van:
maandag

maandag (de ~ | meervoud maandagen)
Zelfstandig naamwoord
  • eerste dag v.d. werkweek
"een blauwe maandag"
"op maandag"

Hyperoniemen

maandag
Zelfstandig naamwoord
  • een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
"Maandag is de meest gehate dag van de week."
maandag
Zelfstandig naamwoord
  • een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
"Maandag is de meest gehate dag van de week."

Voorbeeldzinnen

  1. Het is maandag.
  2. Vandaag is het maandag.
  3. Vandaag is het maandag.
  4. Vandaag is het maandag.
  5. Na zondag komt maandag.
  6. Op maandag is hij altijd thuis.
  7. Het sneeuwde van maandag tot vrijdag.
  8. Op maandag is hij altijd thuis.
  9. Maandag is zeker niet mijn favoriete dag in de week.
  10. Ze is vaak te laat op school op maandag.
  11. Ik werkte op zondag, dus ik had maandag vrij.
  12. Het ticket is geldig tot en met maandag.
  13. Gelukkig is het bijna maandag
  14. maandag
  15. Maandag 6, dinsdag 7 en woensdag 8 april 2009