Betekenis van:
naast

naast
Bijvoeglijk naamwoord
  • dichtstbij
"in de naaste toekomst"
"je naaste buren"

Hyperoniemen

naast
Bijvoeglijk naamwoord
  • meest vertrouwd
"je naaste vrienden"
"naaste medewerkers van de president"

Hyperoniemen

naast
Bijvoeglijk naamwoord
  • aan de zijkant van
"Op deze foto zie je hem naast zijn beste vriend staan."
naast
Bijvoeglijk naamwoord
  • overtreffende trap van na
naast
Bijwoord
  • het doel missend
"Het schot ging helaas naast."
naast
Voorzetsel
  • aan de zijkant van
"Op deze foto zie je hem naast zijn beste vriend staan."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik zat naast hem.
  2. Ze zat naast me.
  3. Ken zette zich naast mij.
  4. Ik ging naast hem zitten.
  5. Hij woonde naast zijn oom.
  6. Naast wat fruit heeft hij niks gegeten.
  7. Naast een dokter, was hij ook een erg beroemde romanschrijver.
  8. Een oude man zat naast mij in de bus.
  9. Maar zat hij naast je in het vliegtuig?
  10. Deze vent die naast me in de trein zit stinkt!
  11. Er stond een verlaten auto naast de rivier.
  12. De Nederlandse en de Belgische driekleur wapperden gemoedelijk naast elkaar in het grensdorp.
  13. Toen ze wakker werden zagen ze een steen naast zich liggen.
  14. Ieder is zichzelf het naast" (vergelijk Proximus sum egomet mihi, "Ik ben mijzelf het naast
  15. Als ik het alfabet een nieuwe volgorde kon geven, zou ik de letters U en I naast elkaar zetten.