Betekenis van:
paasvakantie
paasvakantie (de ~ | meervoud paasvakanties)
Zelfstandig naamwoord
- vakantie rond Pasen
"de paasvakantie begint dit jaar twee weken voor Pasen"
"tijdens de paasvakantie"
Hyperoniemen
paasvakantie
Zelfstandig naamwoord
- de vakantie rond Pasen
Voorbeeldzinnen
- Paasvakantie: