Betekenis van:
paasvakantie

paasvakantie (de ~ | meervoud paasvakanties)
Zelfstandig naamwoord
  • vakantie rond Pasen
"de paasvakantie begint dit jaar twee weken voor Pasen"
"tijdens de paasvakantie"

Hyperoniemen

paasvakantie
Zelfstandig naamwoord
  • de vakantie rond Pasen

Voorbeeldzinnen

  1. Paasvakantie: