Betekenis van:
paraplu
paraplu
Zelfstandig naamwoord
- een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
"Met zulke donkere wolken buiten zou ik maar een paraplu meenemen."
Voorbeeldzinnen
- Waar is mijn paraplu?
- Mag ik je paraplu lenen?
- Hij verliest steeds zijn paraplu.
- Ik zal deze paraplu nemen.
- Ik heb een paraplu gekocht.
- Hij heeft een paraplu nodig.
- Hij is alweer zijn paraplu kwijt.
- Tom weet niet waar zijn paraplu is.
- Mijn moeder kocht een gele paraplu voor mijn broer.
- Ik had bijna mijn paraplu in de trein laten liggen.
- Ik ben vergeten m'n paraplu mee te nemen.
- Mijn moeder kocht een gele paraplu voor mijn broer.
- Het kan zijn dat ze haar paraplu in de bus gelaten heeft.
- Vergeet geen paraplu mee te nemen voor het geval dat het regent.
- Ik snap niet waarom Tom zijn paraplu in de auto zou laten.