Betekenis van:
samen met
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ik woon samen met mijn ouders.
- Hij woont samen met zijn ouders.
- Hij lag daar met zijn benen samen gebonden.
- Hij lag daar met zijn benen samen gebonden.
- Ik ben van plan samen met hem te lunchen.
- Ik kon des te meer van mijn vrije dag genieten door met jou samen te zijn.
- Vanavond hebben we plezier gehad met het samen opstellen van onze stamboom.
- Ik zou liever alleen naar de bioscoop gaan dan samen met Bob.
- Toen ik een kleine jongen was ging ik vaak samen met mijn broer vissen aan de rivier.
- Laten we ons wel bewust zijn van het belang van deze dag, want vandaag kwamen binnen de gastvrije muren van Boulogne-sur-Mer geen Fransen samen met Engelsen, geen Russen met Polen, maar mensen met mensen.
- Laten we ons wel bewust zijn van het belang van deze dag, want vandaag kwamen binnen de gastvrije muren van Boulogne-sur-Mer geen Fransen samen met Engelsen, geen Russen met Polen, maar mensen met mensen.
- Wonen alle kinderen samen met beide ouders?
- Wonen alle kinderen samen met beide ouders?
- de bemonsteringsperiode valt samen met de seizoenproductie.
- Beoordeling van privatisering samen met herstructurering