Betekenis van:
samen met

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik woon samen met mijn ouders.
  2. Hij woont samen met zijn ouders.
  3. Hij lag daar met zijn benen samen gebonden.
  4. Hij lag daar met zijn benen samen gebonden.
  5. Ik ben van plan samen met hem te lunchen.
  6. Ik kon des te meer van mijn vrije dag genieten door met jou samen te zijn.
  7. Vanavond hebben we plezier gehad met het samen opstellen van onze stamboom.
  8. Ik zou liever alleen naar de bioscoop gaan dan samen met Bob.
  9. Toen ik een kleine jongen was ging ik vaak samen met mijn broer vissen aan de rivier.
  10. Laten we ons wel bewust zijn van het belang van deze dag, want vandaag kwamen binnen de gastvrije muren van Boulogne-sur-Mer geen Fransen samen met Engelsen, geen Russen met Polen, maar mensen met mensen.
  11. Laten we ons wel bewust zijn van het belang van deze dag, want vandaag kwamen binnen de gastvrije muren van Boulogne-sur-Mer geen Fransen samen met Engelsen, geen Russen met Polen, maar mensen met mensen.
  12. Wonen alle kinderen samen met beide ouders?
  13. Wonen alle kinderen samen met beide ouders?
  14. de bemonsteringsperiode valt samen met de seizoenproductie.
  15. Beoordeling van privatisering samen met herstructurering