Betekenis van:
stuur

stuur (het ~ | meervoud sturen)
Zelfstandig naamwoord
  • inrichting waarmee men een voertuig stuurt
"de macht over het stuur verliezen"
"achter het stuur (zitten)"

Hyperoniemen

stuur
Zelfstandig naamwoord
  • een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
"De politie vond bloedsporen op het stuur van de auto."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Stuur het naar me op.
  2. Stuur me alsjeblieft een kaartje zodra je aankomt.
  3. Zodra ik het heb, stuur ik het naar je door.
  4. De politie arresteerde hem wegens dronkenschap achter het stuur.
  5. Hij viel in slaap achter het stuur en had een ongeval.
  6. Vorige week heb ik u een brief gestuurd en vandaag stuur ik u er nog één.
  7. Voetbediend stuur
  8. Kant van het stuur:
  9. Stuur de risicobeoor deling door
  10. Kant van het stuur: rechts/links: …
  11. Kant van het stuur: rechts/links
  12. Stuur de desbetreffende ondersteunende documenten mee.
  13. Kant van het stuur: rechts/links
  14. Documenteer uw risicobeoordeling en stuur ze door.
  15. Kant van het stuur: rechts/links.