Betekenis van:
tegelijk
tegelijk
Bijwoord
- op hetzelfde moment
"Zij draaiden zich allebei plotseling om en liepen tegelijk naar de ijskraam terug."
tegelijk
Bijwoord
- in dezelfde periode
"Volgens mij hebben zij tegelijk gestudeerd."
tegelijk
Bijwoord
- tevens.
"Zij is arts en tegelijk schrijfster."
tegelijk
Bijwoord
- samen met iemand of iets anders
"Als de timmerman toch komt, kun je tegelijk de rest van de meubels laten repareren."
Voorbeeldzinnen
- Probeer niet twee dingen tegelijk te doen.
- Aan het begin van elk weekeinde ben ik tegelijk moe en vrolijk.
- Waar vrienden zijn, is tegelijk rijkdom
- Sommige mensen lezen de krant en kijken tegelijk naar de televisie.
- Zelfs de goden kunnen niet tegelijk verliefd en wijs zijn
- Zelfs Hercules kan er geen twee tegelijk aan
- Idealiter tegelijk met de TRC vastgesteld.
- De verlichting mag uitsluitend tegelijk met de achterlichten branden.
- Het dimlicht mag tegelijk met het grootlicht blijven branden.
- Tegelijk moeten ook de redenen voor de herziening worden vermeld.
- LT Verzekeringsmaatschappijen mogen niet tegelijk levens- en schadeverzekeringen aanbieden.
- Het dimlicht mag tegelijk met het grootlicht blijven branden.
- Vet- en calciumverwijdering kunnen tegelijk of apart worden getest.
- Grote drinkbakken (waaruit ten minste twee varkens tegelijk kunnen drinken)
- Het overgavepunt is niet tegelijk ook een overgangs- of afhandelingspunt;