Betekenis van:
vrijdag

vrijdag (de ~ | meervoud vrijdagen)
Zelfstandig naamwoord
  • vijfde dag v.d. werkweek
"Goede Vrijdag"
"vrijdag de dertiende"

Hyperoniemen

vrijdag
Zelfstandig naamwoord
  • een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
"Vrijdag ben ik volgens mij vrij."

Voorbeeldzinnen

  1. Lees voor vrijdag hoofdstuk 4.
  2. We gaan uit eten op vrijdag.
  3. Het sneeuwde van maandag tot vrijdag.
  4. Mevrouw Klein geeft elke vrijdag een test.
  5. De directeur van het bedrijf, aan wie ik u deze vrijdag heb voorgesteld, wil u weer spreken.
  6. vrijdag
  7. Vrijdag 17 april 2009
  8. vrijdag 9 mei 2008
  9. vrijdag 28 maart 2008
  10. Van vrijdag 11 december 2009 om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) tot vrijdag 1 januari 2010 om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) mogen geen aanvragen worden ingediend.
  11. Donderdag 13, vrijdag 14 en maandag 17 april 2006 zijn vrije dagen bij de Commissie.
  12. een dag van maandag tot vrijdag, met uitzondering van officiële ECB-feestdagen; k)
  13. Wanneer die vrijdag geen werkdag is, worden zij op de eerstvolgende werkdag afgegeven.
  14. De invoercertificaataanvragen kunnen elke week, van maandag tot en met vrijdag, worden ingediend.
  15. van maandag tot en met vrijdag, ’s morgens van 9.30 uur tot 12.00 uur;