Betekenis van:
vrijdag
vrijdag
Zelfstandig naamwoord
- een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
"Vrijdag ben ik volgens mij vrij."
Voorbeeldzinnen
- Lees voor vrijdag hoofdstuk 4.
- We gaan uit eten op vrijdag.
- Het sneeuwde van maandag tot vrijdag.
- Mevrouw Klein geeft elke vrijdag een test.
- De directeur van het bedrijf, aan wie ik u deze vrijdag heb voorgesteld, wil u weer spreken.
- vrijdag
- Vrijdag 17 april 2009
- vrijdag 9 mei 2008
- vrijdag 28 maart 2008
- Van vrijdag 11 december 2009 om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) tot vrijdag 1 januari 2010 om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) mogen geen aanvragen worden ingediend.
- Donderdag 13, vrijdag 14 en maandag 17 april 2006 zijn vrije dagen bij de Commissie.
- een dag van maandag tot vrijdag, met uitzondering van officiële ECB-feestdagen; k)
- Wanneer die vrijdag geen werkdag is, worden zij op de eerstvolgende werkdag afgegeven.
- De invoercertificaataanvragen kunnen elke week, van maandag tot en met vrijdag, worden ingediend.
- van maandag tot en met vrijdag, ’s morgens van 9.30 uur tot 12.00 uur;