Betekenis van:
waarheid
waarheid
Zelfstandig naamwoord
- dat wat waar is
waarheid
Zelfstandig naamwoord
- dat wat als waar wordt beschouwd door een persoon of groep
Voorbeeldzinnen
- Waarheid baart haat.
- Ik ontdekte de waarheid.
- Hij vertelde me de waarheid.
- Uiteindelijk ontdekte hij de waarheid.
- Alleen de waarheid is schoon.
- Zal je me de waarheid vertellen?
- Ik vertel je beter de waarheid.
- Je had hem de waarheid moeten zeggen.
- We zullen weldra de waarheid weten.
- Waarom zegt hij de waarheid niet?
- Je moet altijd de waarheid spreken.
- Conchita besloot Mary de waarheid te vertellen.
- Ge zoudt altijd de waarheid moeten zeggen.
- Heeft hij je de waarheid gezegd?
- Waar de waarheid is