Betekenis van:
zaterdag

zaterdag (de ~ | meervoud zaterdagen)
Zelfstandig naamwoord
  • eerste dag v.h. weekend
"op/de zaterdag aankomen"
"op zaterdag"

Hyperoniemen

zaterdag
Zelfstandig naamwoord
  • een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
"Zaterdag is de eerste dag van het weekend."

Voorbeeldzinnen

  1. Vandaag is het zaterdag.
  2. Zondag komt na zaterdag.
  3. Vandaag is het zaterdag.
  4. Het is zaterdag.
  5. Zaterdag is mijn vader vrij.
  6. Morgen is het zaterdag, 5 februari 2011.
  7. Het officiële begin is op zaterdag.
  8. Mijn vader heeft vrij op zaterdag.
  9. We hebben een feest volgende zaterdag.
  10. Je moet zaterdag niet komen werken.
  11. Ik moet de boeken voor zaterdag terugbrengen.
  12. Zaterdag is de laatste dag van de week.
  13. Zaterdag zijn we naar de film geweest en daarna naar het restaurant.
  14. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden, ter beoordeling van de directeur, dat vereisen, kunnen bepaalde functionarissen verplicht worden op zaterdag te werken.
  15. Indien de laatste dag van een termijn een feestdag, een zondag of een zaterdag is, dan loopt deze termijn af bij het einde van de daaropvolgende werkdag.