Betekenis van:
zondag

zondag (de ~ | meervoud zondagen)
Zelfstandig naamwoord
  • tweede dag v.h. weekend
"hij is op een zondag geboren"
"het kan niet altijd zondag zijn"

Hyperoniemen

zondag
Zelfstandig naamwoord
  • een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
"Zondag is de tweede dag van het weekend."

Voorbeeldzinnen

  1. Gisteren was het zondag.
  2. Gisteren was het zondag.
  3. Deze dag is zondag.
  4. Morgen is het zondag.
  5. Werk je op zondag?
  6. Na zondag komt maandag.
  7. Morgen is het zondag.
  8. Zondag komt na zaterdag.
  9. Het valt op zondag.
  10. Ze speelt elke zondag tennis.
  11. Hij speelt elke zondag golf.
  12. Ik moest op zondag werken.
  13. Ik werk niet op zondag.
  14. Ik ben vrij op zondag.
  15. Ik ontmoet je zondag om drie uur.