Vertaling van nützen

Inhoud:

Duits
Nederlands
dienen, frommen, nützen {ww.}
helpen 
van nut zijn 
baten 
beistehen, beispringen, helfen, beitragen, begünstigen, fördern, nützen {ww.}
helpen 
ter zijde staan
bijstaan 
baten 
Kann ich helfen?
Kan ik helpen?
Könntet ihr mir helfen?
Kunt u me helpen?
ausbeuten, ausnutzen, exploitieren, nutzen, nutzbar machen, abbauen {ww.}
uitbuiten
uitmelken
exploiteren

wir nutzen
sie nutzen

wij buiten uit
zij buiten uit
» meer vervoegingen van uitbuiten