Vervoeging van basketballen
Onvoltooid tegenwoordige tijd
- ik basketbal
- jij basketbalt
- hij/zij/het basketbalt
- wij basketballen
- jullie basketballen
- zij basketballen
Onvoltooid verleden tijd
- ik basketbalde
- jij basketbalde
- hij/zij/het basketbalde
- wij basketbalden
- jullie basketbalden
- zij basketbalden
Voltooid tegenwoordige tijd
- ik heb gebasketbald
- jij hebt gebasketbald
- hij/zij/het heeft gebasketbald
- wij hebben gebasketbald
- jullie hebben gebasketbald
- zij hebben gebasketbald
Voltooid verleden tijd
- ik had gebasketbald
- jij had gebasketbald
- hij/zij/het had gebasketbald
- wij hadden gebasketbald
- jullie hadden gebasketbald
- zij hadden gebasketbald
Toekomende tijd I
- ik zal basketballen
- jij zult basketballen
- hij/zij/het zal basketballen
- wij zullen basketballen
- jullie zullen basketballen
- zij zullen basketballen
Toekomende tijd II
- ik zal gebasketbald hebben
- jij zult gebasketbald hebben
- hij/zij/het zal gebasketbald hebben
- wij zullen gebasketbald hebben
- jullie zullen gebasketbald hebben
- zij zullen gebasketbald hebben
Conditionalis I
- ik zou basketballen
- jij zou basketballen
- hij/zij/het zou basketballen
- wij zouden basketballen
- jullie zouden basketballen
- zij zouden basketballen
Conditionalis II
- ik zou hebben gebasketbald
- jij zou hebben gebasketbald
- hij/zij/het zou hebben gebasketbald
- wij zouden hebben gebasketbald
- jullie zouden hebben gebasketbald
- zij zouden hebben gebasketbald
Imperatief
- jij basketbal
- jullie basketbalt