Vervoeging van eclipseren

Onbepaalde wijs (infinitief): eclipseren
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik eclipseer
    • jij eclipseert
    • hij/zij/het eclipseert
    • wij eclipseren
    • jullie eclipseren
    • zij eclipseren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik eclipseerde
    • jij eclipseerde
    • hij/zij/het eclipseerde
    • wij eclipseerden
    • jullie eclipseerden
    • zij eclipseerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geëclipseerd
    • jij hebt geëclipseerd
    • hij/zij/het heeft geëclipseerd
    • wij hebben geëclipseerd
    • jullie hebben geëclipseerd
    • zij hebben geëclipseerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geëclipseerd
    • jij had geëclipseerd
    • hij/zij/het had geëclipseerd
    • wij hadden geëclipseerd
    • jullie hadden geëclipseerd
    • zij hadden geëclipseerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal eclipseren
    • jij zult eclipseren
    • hij/zij/het zal eclipseren
    • wij zullen eclipseren
    • jullie zullen eclipseren
    • zij zullen eclipseren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geëclipseerd hebben
    • jij zult geëclipseerd hebben
    • hij/zij/het zal geëclipseerd hebben
    • wij zullen geëclipseerd hebben
    • jullie zullen geëclipseerd hebben
    • zij zullen geëclipseerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou eclipseren
    • jij zou eclipseren
    • hij/zij/het zou eclipseren
    • wij zouden eclipseren
    • jullie zouden eclipseren
    • zij zouden eclipseren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geëclipseerd
    • jij zou hebben geëclipseerd
    • hij/zij/het zou hebben geëclipseerd
    • wij zouden hebben geëclipseerd
    • jullie zouden hebben geëclipseerd
    • zij zouden hebben geëclipseerd
  • Imperatief

    • jij eclipseer
    • jullie eclipseert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van eclipseren