Vervoeging van branch

Engels

Nederlands

Present

  • he/she/it branches
  • they branch

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het takt af
  • zij takken af

Simple past

  • he/she/it branched
  • they branched

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het takte af
  • zij takten af

Present perfect

  • he/she/it has branched
  • they have branched

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft afgetakt
  • zij hebben afgetakt

Past perfect

  • he/she/it had branched
  • they had branched

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had afgetakt
  • zij hadden afgetakt

Future

  • he/she/it will branch
  • they will branch

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal aftakken
  • zij zult aftakken

Future perfect

  • he/she/it will have branched
  • they will have branched

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal afgetakt hebben
  • zij zult afgetakt hebben

Conditional present

  • he/she/it would branch
  • they would branch

Conditionalis I

  • hij/zij/het zal aftakken
  • zij zullen aftakken

Conditional perfect

  • he/she/it would have branched
  • they would have branched

Conditionalis II

  • hij/zij/het zal hebben afgetakt
  • zij zullen hebben afgetakt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van branch