Vervoeging van doezelen

Er is helaas geen Franse vertaling gevonden.


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik doezel
    • jij doezelt
    • hij/zij/het doezelt
    • wij doezelen
    • jullie doezelen
    • zij doezelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik doezelde
    • jij doezelde
    • hij/zij/het doezelde
    • wij doezelden
    • jullie doezelden
    • zij doezelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedoezeld
    • jij hebt gedoezeld
    • hij/zij/het heeft gedoezeld
    • wij hebben gedoezeld
    • jullie hebben gedoezeld
    • zij hebben gedoezeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedoezeld
    • jij had gedoezeld
    • hij/zij/het had gedoezeld
    • wij hadden gedoezeld
    • jullie hadden gedoezeld
    • zij hadden gedoezeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal doezelen
    • jij zult doezelen
    • hij/zij/het zal doezelen
    • wij zullen doezelen
    • jullie zullen doezelen
    • zij zullen doezelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedoezeld hebben
    • jij zult gedoezeld hebben
    • hij/zij/het zal gedoezeld hebben
    • wij zullen gedoezeld hebben
    • jullie zullen gedoezeld hebben
    • zij zullen gedoezeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou doezelen
    • jij zou doezelen
    • hij/zij/het zou doezelen
    • wij zouden doezelen
    • jullie zouden doezelen
    • zij zouden doezelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedoezeld
    • jij zou hebben gedoezeld
    • hij/zij/het zou hebben gedoezeld
    • wij zouden hebben gedoezeld
    • jullie zouden hebben gedoezeld
    • zij zouden hebben gedoezeld
  • Imperatief

    • jij doezel
    • jullie doezelt