Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik zet in
  • jij zet in
  • hij/zij/het zet in
  • wij zetten in
  • jullie zetten in
  • zij zetten in

Present

  • I dedicate
  • you dedicate
  • he/she/it dedicates
  • we dedicate
  • you dedicate
  • they dedicate

Onvoltooid verleden tijd

  • ik zette in
  • jij zette in
  • hij/zij/het zette in
  • wij zetten in
  • jullie zetten in
  • zij zetten in

Simple past

  • I dedicated
  • you dedicated
  • he/she/it dedicated
  • we dedicated
  • you dedicated
  • they dedicated

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb ingezet
  • jij hebt ingezet
  • hij/zij/het heeft ingezet
  • wij hebben ingezet
  • jullie hebben ingezet
  • zij hebben ingezet

Present perfect

  • I have dedicated
  • you have dedicated
  • he/she/it has dedicated
  • we have dedicated
  • you have dedicated
  • they have dedicated

Voltooid verleden tijd

  • ik had ingezet
  • jij had ingezet
  • hij/zij/het had ingezet
  • wij hadden ingezet
  • jullie hadden ingezet
  • zij hadden ingezet

Past perfect

  • I had dedicated
  • you had dedicated
  • he/she/it had dedicated
  • we had dedicated
  • you had dedicated
  • they had dedicated

Toekomende tijd I

  • ik zal inzetten
  • jij zult inzetten
  • hij/zij/het zal inzetten
  • wij zullen inzetten
  • jullie zullen inzetten
  • zij zullen inzetten

Future

  • I will dedicate
  • you will dedicate
  • he/she/it will dedicate
  • we will dedicate
  • you will dedicate
  • they will dedicate

Toekomende tijd II

  • ik zal ingezet hebben
  • jij zult ingezet hebben
  • hij/zij/het zal ingezet hebben
  • wij zullen ingezet hebben
  • jullie zullen ingezet hebben
  • zij zullen ingezet hebben

Future perfect

  • I will have dedicated
  • you will have dedicated
  • he/she/it will have dedicated
  • we will have dedicated
  • you will have dedicated
  • they will have dedicated

Conditionalis I

  • ik zou inzetten
  • jij zou inzetten
  • hij/zij/het zou inzetten
  • wij zouden inzetten
  • jullie zouden inzetten
  • zij zouden inzetten

Conditional present

  • I would dedicate
  • you would dedicate
  • he/she/it would dedicate
  • we would dedicate
  • you would dedicate
  • they would dedicate

Conditionalis II

  • ik zou hebben ingezet
  • jij zou hebben ingezet
  • hij/zij/het zou hebben ingezet
  • wij zouden hebben ingezet
  • jullie zouden hebben ingezet
  • zij zouden hebben ingezet

Conditional perfect

  • I would have dedicated
  • you would have dedicated
  • he/she/it would have dedicated
  • we would have dedicated
  • you would have dedicated
  • they would have dedicated

Imperatief

  • jij zet in
  • jullie zet in

Imperative

  • you dedicate
  • you dedicate

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van inzetten