Vertaling van devoir

Frans
Nederlands
devoir [m] (le ~), tâche [v] (la ~) {zn.}
taak [v]
opgave [v]
opgaaf [v]
karwei
klus [m]
opdracht
C'est une tâche chronophage.
Dit is een heel tijdrovende taak.
C'est une tâche trop facile pour lui.
Het is een te gemakkelijke opgave voor hem.
devoir, être obligé {ww.}
moeten
behoren 
horen 
dienen
zullen
devoir
plicht
devoir
huiswerk
devoir
te danken hebben
te wijten zijn aan
avoir une dette, devoir {ww.}
in de schuld staan
schuldig zijn
verschuldigd zijn

Gerelateerd aan devoir

tâche - être obligé - avoir une dette