Betekenis van:
doof

doof
Bijvoeglijk naamwoord
  • slechthorend
"horende doof zijn"
"ik ben niet doof!"

Hyperoniemen

doof
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet of minder goed tot horen in staat zijn
"De dove man kon nog een prima leven leiden."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ben je doof?
  2. Doof uw sigaret a.u.b.
  3. De vrouw is bijna doof.
  4. Ze was blind, doof, en stom.
  5. Helen Keller was doof en blind.
  6. Het vereist wijsheid om wijsheid te verstaan: muziek is niets wanneer het publiek doof is.
  7. Wijsheid is nodig om wijsheid te verstaan: muziek bestaat niet voor een doof publiek.