Betekenis van:
toen

toen
Bijwoord
  • op of na dat tijdstip
"Hij is toen naar huis gegaan."
toen
Bijwoord
  • in een vervlogen tijd
"Toen was dat nog heel gewoon."
toen
Voegwoord
  • op het tijdstip dat
"Hij ging naar huis toen het vijf uur was."

Voorbeeldzinnen

  1. Ik keek toen tv.
  2. Toen was ik student.
  3. Toen waren we jonger.
  4. Was je toen op school?
  5. De regenworm wriemelde toen ik hem aanraakte.
  6. Toen ik terugkwam was mijn auto weg.
  7. Ik rookte toen ik jong was.
  8. Toen ik wakker werd, was ik verdrietig.
  9. Hij verliet de kamer toen ik binnenkwam.
  10. Hij kwam pas toen ik belde.
  11. Hij was uitgeput toen hij thuis kwam.
  12. "Val!" riep hij toen hij haar herkende.
  13. Toen waren er nog geen radio's.
  14. Ze was mooi toen ze jong was.
  15. Ze kon lezen toen ze vier was.