Betekenis van:
zodra

zodra
Voegwoord
  • geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
"Zodra hij vrijgelaten werd, vatte hij zijn criminele loopbaan weer op."

Voorbeeldzinnen

  1. Schrijf me zodra je er bent.
  2. Zodra ik opsta, zet ik koffie.
  3. Ik bel je van zodra ik in de luchthaven ben.
  4. Ik heb haar herkend van zodra ik haar zag.
  5. Ik zal het boek teruggeven zodra ik kan.
  6. Laat ons vertrekken van zodra hij terug is.
  7. Van zodra hij aankwam, vroeg hij om een maaltijd.
  8. Stuur me alsjeblieft een kaartje zodra je aankomt.
  9. Zodra ik het heb, stuur ik het naar je door.
  10. Zodra we er aankwamen, begon het te regenen.
  11. Zeg zodra u contact opneemt met uw vrienden tegen ze dat er een lawine komt.
  12. Ik ben zo moe dat ik naar bed ga zodra ik thuiskom.
  13. zodra een beperking is opgelegd.
  14. zodra een autorisatie is verleend of geweigerd;
  15. Moet gaan branden zodra de bedrijfsrem wordt bediend.