Betekenis van:
ieder

ieder
Onbepaald voornaamwoord
  • elk, alle afzonderlijk,
"In ieder geval."

Voorbeeldzinnen

  1. Ieder zijn eigen passie.
  2. Ieder zijn eigen ding.
  3. Hij gaf ieder een pen.
  4. Ieder van hen kreeg een prijs.
  5. Ieder van ons ging behalve hij.
  6. Ieder van u kan het doen.
  7. Ik ben tegen ieder soort oorlog.
  8. Hij gaat ieder jaar naar Karuizawa.
  9. Ieder van ons, behalve hij, ging.
  10. Ieder het zijne
  11. Ieder molecuul in ons lichaam heeft een unieke vorm.
  12. Ieder jaar komen veel toeristen naar dit eiland.
  13. Maak dat je hier wegkomt! Ieder van jullie!
  14. Ieder grootste geluk moet allerminst geloofd worden
  15. Gelukkige gezinnen lijken alle op elkaar, ieder ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.