Betekenis van:
uitdijen

uitdijen
Werkwoord
  • meer of groter worden, toenemen
"De beverstand zal de komende jaren verder uitdijen door projecten die de rivieren en beken meer ruimte geven."
uitdijen
Werkwoord
  • in omvang toenemen, aangroeien
"Einstein ging ook uit van een statisch heelal, maar uit zijn algemene relativiteitstheorie bleek onomstotelijk dat het heelal moest uitdijen of ineenstorten."
uitdijen
Werkwoord
  • dikker worden, opzwellen
"Laat het licht langzaam uitdijen zodat het je hele kamer vult."
uitdijen
Werkwoord
  • ''zich ~'' in omvang toenemen
"Het tekort op de begroting heeft zich alsmaar uitgedijd."