Betekenis van:
bank-
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Waar is de bank?
- Is de bank open?
- Waar is de bank?
- Ze zat op de bank.
- Hij werkt bij een bank.
- Hij werkt bij een bank.
- Hij werkt bij een bank.
- Ik werk bij een bank.
- Hij werkt bij een bank.
- Waar is de dichtstbijzijnde bank?
- Waar is de dichtstbijzijnde bank?
- Hij is de voorzitter van de bank.
- Waarom heb je de bank rood geschilderd?
- Waarom heb je de bank rood geschilderd?
- Ik heb hen de bank zien binnengaan.