Betekenis van:
bank-

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Waar is de bank?
  2. Is de bank open?
  3. Waar is de bank?
  4. Ze zat op de bank.
  5. Hij werkt bij een bank.
  6. Hij werkt bij een bank.
  7. Hij werkt bij een bank.
  8. Ik werk bij een bank.
  9. Hij werkt bij een bank.
  10. Waar is de dichtstbijzijnde bank?
  11. Waar is de dichtstbijzijnde bank?
  12. Hij is de voorzitter van de bank.
  13. Waarom heb je de bank rood geschilderd?
  14. Waarom heb je de bank rood geschilderd?
  15. Ik heb hen de bank zien binnengaan.