Betekenis van:
ijshockey
ijshockey (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- hockey op schaatsen
"ijshockey spelen"
"een partijtje ijshockey"
Hyperoniemen
ijshockey
Zelfstandig naamwoord
- ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
"Er was ijshockey op de tv, maar je kon de puck niet volgen."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Uitrusting voor schaatsen en ijshockey
- Het door de Internationale IJshockey Federatie (IIHF) georganiseerde wereldkampioenschap ijshockey voor mannen;
- Het door de Internationale IJshockey Federatie (IIHF) georganiseerde wereldkampioenschap ijshockey voor mannen vindt een bijzondere algemene weerklank omdat deze sport actief wordt beoefend door de Finse bevolking en een algemeen erkend, onmiskenbaar cultureel belang heeft voor de bevolking van deze lidstaat omdat het Finse team grote successen heeft geboekt in dit internationale toernooi.
- De openingswedstrijd, halve finales en finale van de Wereldbeker voetbal, en de wedstrijden van de Finse ploeg, de openingswedstrijd, halve finales en finale van het Europese kampioenschap voetbal, en de wedstrijden van de Finse ploeg, de halve finales en de finale van het wereldkampioenschap ijshockey voor mannen en de wedstrijden van de Finse ploeg, zoals bedoeld in punt 1 moeten geheel rechtstreeks worden uitgezonden.
- Gezien de specifieke organisatie zou het wereldkampioenschap ijshockey moeten worden beschouwd als één evenement waarin de wedstrijden tussen andere landen tevens van invloed zijn op de positie van teams waartegen Finland moet of zou kunnen spelen en op het algemene resultaat.