Betekenis van:
Spaans

Spaans
Bijvoeglijk naamwoord
  • van Spanje
"de Spaanse staat"
"de Spaanse Rijschool"
Spaans
Bijvoeglijk naamwoord
  • van of uit het Spaans
Spaans (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • Spaanse taal; Castiliaanse taal

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Spreekt u Spaans?
  2. Spaans is zijn moedertaal.
  3. Wij leren Spaans.
  4. Zij kunnen Spaans spreken.
  5. Mijn moedertaal is Spaans.
  6. Zij kunnen Spaans spreken.
  7. Ja, ik spreek Spaans.
  8. Misschien spreekt Jack ook Spaans.
  9. In Valencia spreekt men Valenciaans en Spaans.
  10. Ze sprak mij aan in het Spaans.
  11. Ik wou dat je Spaans sprak.
  12. De mensen uit Colombia spreken Spaans.
  13. Hij spreekt zowel Spaans als Frans.
  14. Ik kan geen Engels spreken, en Spaans nog minder.
  15. Bob is de enige leerling in onze klas die Spaans kan spreken.