Betekenis van:
eenmaal
eenmaal
Telwoord
- een enkele keer
"Hij heeft die vergissing slechts eenmaal gemaakt."
eenmaal
Telwoord
- ''nu ~'' een herinnering aan een gebeurd feit
"Hij heeft die vergissing nu eenmaal gemaakt."
eenmaal
Telwoord
- ''als ... ~'' geeft een verandering in omstandigheden aan bij een bepaalde gebeurtenis
"Als er eenmaal water door de dijk begint te komen, is een doorbraak onvermijdelijk geworden."
Voorbeeldzinnen
- We zijn maar eenmaal jong.
- Hij sproeit de tuin eenmaal per week.
- Eenmaal op het station aangekomen, belde ik mijn vriend op.
- Eenmaal op het station aangekomen, belde ik mijn vriend op.
- Het is de moeite waard om deze boeken minstens eenmaal te lezen.
- De weg des doods moet eenmaal betreden worden
- Deze kan eenmaal worden verlengd.
- Minder dan eenmaal per maand
- Daarom mag reddingssteun slechts eenmaal worden toegekend.
- Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
- De ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
- Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
- Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
- Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
- Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.