Betekenis van:
eenmaal

eenmaal
Telwoord
  • een enkele keer
"Hij heeft die vergissing slechts eenmaal gemaakt."
eenmaal
Telwoord
  • ''nu ~'' een herinnering aan een gebeurd feit
"Hij heeft die vergissing nu eenmaal gemaakt."
eenmaal
Telwoord
  • ''als ... ~'' geeft een verandering in omstandigheden aan bij een bepaalde gebeurtenis
"Als er eenmaal water door de dijk begint te komen, is een doorbraak onvermijdelijk geworden."

Voorbeeldzinnen

  1. We zijn maar eenmaal jong.
  2. Hij sproeit de tuin eenmaal per week.
  3. Eenmaal op het station aangekomen, belde ik mijn vriend op.
  4. Eenmaal op het station aangekomen, belde ik mijn vriend op.
  5. Het is de moeite waard om deze boeken minstens eenmaal te lezen.
  6. De weg des doods moet eenmaal betreden worden
  7. Deze kan eenmaal worden verlengd.
  8. Minder dan eenmaal per maand
  9. Daarom mag reddingssteun slechts eenmaal worden toegekend.
  10. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
  11. De ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
  12. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
  13. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
  14. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
  15. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.