Betekenis van:
eens
eens
Bijvoeglijk naamwoord
- ''alleen predicatief: het ~ zijn/worden over'' tot een vergelijk komen
"Zij konden het er niet over eens worden."
eens
Bijwoord
- op enigerlei tijd in het verleden.
"Eens was dat een rijke stad."
eens
Bijwoord
- op een bepaald tijdstip in de toekomst.
"Eens zal hij daar spijt van krijgen."
eens
Bijwoord
- modaal bijwoord dat een uitzondering of een voorstel uitdrukt.
"Daar moet hij eens mee ophouden."
Voorbeeldzinnen
- Probeer het gewoon eens.
- Loop eens wat langzamer.
- O! Laat eens zien.
- Schiet toch eens op!
- O! Laat eens zien.
- Probeer het nog eens.
- Kijk eens naar dit.
- O! Laat eens zien.
- Zeg eens "aaa".
- Mag ik het eens passen?
- Raat eens wie komt vanavond.
- Denk er eens over na.
- Mag ik het eens passen?
- Heb je al eens gesolliciteerd?
- Ben je al eens in Parijs geweest?