Betekenis van:
eens

eens
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''alleen predicatief: het ~ zijn/worden over'' tot een vergelijk komen
"Zij konden het er niet over eens worden."
eens
Bijwoord
  • op enigerlei tijd in het verleden.
"Eens was dat een rijke stad."
eens
Bijwoord
  • op een bepaald tijdstip in de toekomst.
"Eens zal hij daar spijt van krijgen."
eens
Bijwoord
  • modaal bijwoord dat een uitzondering of een voorstel uitdrukt.
"Daar moet hij eens mee ophouden."

Voorbeeldzinnen

  1. Probeer het gewoon eens.
  2. Loop eens wat langzamer.
  3. O! Laat eens zien.
  4. Schiet toch eens op!
  5. O! Laat eens zien.
  6. Probeer het nog eens.
  7. Kijk eens naar dit.
  8. O! Laat eens zien.
  9. Zeg eens "aaa".
  10. Mag ik het eens passen?
  11. Raat eens wie komt vanavond.
  12. Denk er eens over na.
  13. Mag ik het eens passen?
  14. Heb je al eens gesolliciteerd?
  15. Ben je al eens in Parijs geweest?