Betekenis van:
hun

hun
Persoonlijk voornaamwoord
  • persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud datief
"Ik heb het hun gegeven."
hun
Persoonlijk voornaamwoord
  • Persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud ook accusatief
"Ik heb hun gezien."
hun
Bezittelijk voornaamwoord
  • bezittelijk voornaamwoord derde persoon meervoud
"De mannen hebben hun geweren geladen."
Hun (de ~ | meervoud Hunnen)
Zelfstandig naamwoord
  • nomadisch ruiter

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Dit is hun huis.
  2. Ze bereikten hun doel.
  3. Hun ontmoeting was onvermijdbaar.
  4. Hun trouwdag bleef onopgemerkt.
  5. Ze verlieten hun land.
  6. Kinderen doen eerder hun vrienden dan hun ouders na.
  7. Ondanks hun omvang en hun gewicht kunnen nijlpaarden snel zwemmen.
  8. Al hun geheimen werden onthuld.
  9. Ouders houden van hun kinderen.
  10. Al hun inspanningen waren tevergeefs.
  11. De dieren volgen hun instinct.
  12. Hun huis is zeer modern.
  13. Kinderen moeten hun ouders gehoorzamen.
  14. Ze gehoorzaamden hun ouders niet.
  15. Deze kinderen worden door hun ouders verwaarloosd.