Betekenis van:
tegen

tegen
Voorzetsel
  • zijdelings aanleunend
"De fiets staat tegen de deur."
tegen
Voorzetsel
  • oneens met, ter bestrijding van
"Er is geen middel tegen deze ziekte."
tegen
Voorzetsel
  • voor of omstreeks een bepaalde tijd
"We gingen tegen de ochtend naar huis."
tegen
Voorzetsel
  • de ontvangende persoon van een boodschap: aan
"Ik heb het tegen je gezegd."
tegen
Voorzetsel
  • voor de prijs van
"Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers tegen een bal."
tegen
tegen
Bijwoord
  • tegenspreken: ''Hij '''sprak''' deze bewering tegen.''
tegen
Bijwoord
  • daartegen: '''''Daar''' is een goed middel tegen.''

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Hij loog tegen ons.
  2. Schreeuw niet tegen me.
  3. Spreekt ge tegen mij?
  4. Zeg niets tegen mijn vriendje.
  5. Ze hebben tegen je gelogen.
  6. Lincoln was tegen de slavernij.
  7. Praat niet zo tegen hem.
  8. Ik ben tegen dit project.
  9. Judy is aardig tegen iedereen.
  10. Zeg "Dag" tegen uw vrienden.
  11. Ik reed tegen een boom.
  12. Ik vocht tegen de slaap.
  13. Wees beleefd tegen je ouders.
  14. Ze was heel aardig tegen iedereen.
  15. Hij beloofde dat tegen niemand te zeggen.