Betekenis van:
tegen
tegen
Voorzetsel
- zijdelings aanleunend
"De fiets staat tegen de deur."
tegen
Voorzetsel
- oneens met, ter bestrijding van
"Er is geen middel tegen deze ziekte."
tegen
Voorzetsel
- voor of omstreeks een bepaalde tijd
"We gingen tegen de ochtend naar huis."
tegen
Voorzetsel
- de ontvangende persoon van een boodschap: aan
"Ik heb het tegen je gezegd."
tegen
Voorzetsel
- voor de prijs van
"Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers tegen een bal."
tegen
tegen
Bijwoord
- tegenspreken: ''Hij '''sprak''' deze bewering tegen.''
tegen
Bijwoord
- daartegen: '''''Daar''' is een goed middel tegen.''
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Hij loog tegen ons.
- Schreeuw niet tegen me.
- Spreekt ge tegen mij?
- Zeg niets tegen mijn vriendje.
- Ze hebben tegen je gelogen.
- Lincoln was tegen de slavernij.
- Praat niet zo tegen hem.
- Ik ben tegen dit project.
- Judy is aardig tegen iedereen.
- Zeg "Dag" tegen uw vrienden.
- Ik reed tegen een boom.
- Ik vocht tegen de slaap.
- Wees beleefd tegen je ouders.
- Ze was heel aardig tegen iedereen.
- Hij beloofde dat tegen niemand te zeggen.