Betekenis van:
dat

dat
  • Het ding dat wordt aangeduid (op afstand van de spreker, of voorheen is genoemd, of op een ander moment).
dat
  • Het aangegeven voorwerp (op afstand van de spreker, bij de luisteraar).

Voorbeeldzinnen

  1. Vergeet dat.
  2. Dat volstaat.
  3. Ik denk dat dat werkt.
  4. Ik vond dat ik dat moest doen.
  5. "Wie is dat?" "Dat is Jim."
  6. Dat is iets dat vrij vaak gebeurt.
  7. Ik denk dat dat gerucht waar is.
  8. "Wie is dat meisje?" "Dat is Keiko."
  9. Dat is mijn woordenboek.
  10. Zeg dat opnieuw, alsjeblieft.
  11. Dat is mijn antwoord!
  12. Dat wist ik niet.
  13. Dat ging per ongeluk!
  14. Dat is alles.
  15. Dat is mijn kat.