Betekenis van:
het
het
Persoonlijk voornaamwoord
- 3e persoon enkelvoud onzijdig.
"Het leger zegt dat het de situatie onder controle heeft, maar dat blijkt niet helemaal te kloppen."
het
Onbepaald voornaamwoord
- 3e persoon enkelvoud onzijdig
Voorbeeldzinnen
- Het giet.
- Het regent.
- Het hagelt.
- Het sneeuwt.
- Het sneeuwt.
- Het sneeuwt.
- Het regent.
- Het regende.
- Het maakt al het verschil.
- Zeg het in het Engels.
- Het regent dat het giet.
- Het is het nieuwste snufje.
- Hoe ver is het van het vliegveld naar het hotel?
- "Gaat het?" "Wat...? Ja, het is niets."
- Wie het laatst lacht, lacht het best.