Betekenis van:
maat-
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Weet u uw maat?
- Ik zoek een jas in mijn maat.
- Deze schoen is een maat groter.
- Er is maat in de dingen, er zijn tenslotte zekere grenzen
- vezeltype met maat;
- op maat gesneden profielen
- de maat (alleen voor pootaardappelen);
- Filtreerpapier en -karton, op maat gesneden
- Reparatie van kleding (omvat kleding op maat)
- 2 vlakken voor sleutel maat 36
- De kleinste maat voor vers gezouten vis.
- Vervaardiging uit niet op maat gezaagde planken
- Voor kinderschoenen geldt als referentieschoenmaat 32 (Parijse maat) (of de grootste maat indien deze kleiner is dan schoenmaat 32 (Parijse maat)).
- Machines voor het (op maat) sorteren van fruit
- CTP is een maat voor de rekenprestaties, uitgedrukt in Mtops.