Betekenis van:
kuststrook

kuststrook (de ~ | meervoud kuststroken)
Zelfstandig naamwoord
  • lange, smalle reep land, zee, lucht of ruimte langs de kust die zich op de een of andere manier onderscheidt
"in de kuststrook"
"een brede/smalle kuststrook"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Volgens het plan zal de scheepswerf na de capaciteitsvermindering beschikken over een overtollige kuststrook waarop een containerterminal met een capaciteit van 150000 TEU per jaar kan worden gerealiseerd.
  2. De sterke vochtige luchtstromen die van de Tyrreense Zee komen hoeven maar een klein stukje over de smalle kuststrook af te leggen voordat ze naar boven gestuwd worden tegen de plotseling oprijzende bergwanden, waar ze onmiddellijk condenseren. Daardoor valt er veel neerslag, en hoe verder men in het marmerhoudende gebergte doordringt, des te meer neerslag valt er.