Betekenis van:
opticien

opticien (de ~ | meervoud opticiens)
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die brillen aanmeet en verkoopt

Synoniemen

Hyperoniemen

opticien
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die kundig is in de optica

Voorbeeldzinnen

  1. opticien („opticien”);
  2. opticien („optometrist”),
  3. opticien („Augenoptiker”);
  4. opticien („ottico”);
  5. opticien („Optiker”);
  6. opticien („dispensing optician”);
  7. opticien („τεχνικός oπτικός”),
  8. Het land heeft verzocht om het beroep opticien („optometrist”) uit bijlage II bij Richtlijn 2005/36/EG te schrappen, omdat het niveau ervan is verhoogd tot het niveau van het diploma als bedoeld in artikel 11, onder d), van Richtlijn 2005/36/EG en derhalve niet langer aan de criteria van artikel 11, onder c), ii), van genoemde richtlijn voldoet.