Vertaling van spouse

Engels
Nederlands
spouse {zn.}
ga
eegade
eega [m]
gade
wederhelft
husband, mate, spouse {zn.}
echtgenoot  [m]
man  [m]
gemaal
She hated her husband.
Ze haatte haar echtgenoot.
Is your husband at home?
Is je man thuis?
wife, mate, spouse {zn.}
vrouw  [v]
echtgenote  [v]
gemalin [v]
His wife is a Frenchwoman.
Zijn vrouw is Franse.
I love my wife.
Ik hou van mijn vrouw.

Gerelateerd aan spouse

husband - mate - wife