Betekenis van:
zak-

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Wil je een plastieken zak of een papieren zak?
  2. Ik heb één zak gekocht.
  3. John haalde een sleutel uit zijn zak.
  4. Wat heb je in je zak?
  5. Wat hebt ge nog meer op zak?
  6. Iemand heeft mijn zak weg genomen.
  7. Ik heb gisteren een kat in de zak gekocht.
  8. Dima stak zijn hand in zijn zak en haalde er een gigantische aktetas uit.
  9. "Hoe heeft u een aktetas in uw zak gekregen?!" vroeg de vrouw stomverbaasd.
  10. Zak (sack)
  11. Carter Zak
  12. Zak, buigzaam
  13. ZAK S.A. (Polen),
  14. Zak, buigzaam FX
  15. Zak, van kunststof