Betekenis van:
zakken

zakken
Werkwoord
  • dalen, naar beneden gaan
"de kist/lift/wijzer zakt"
"door ['het ijs'/'de vloer'] zakken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zakken
Werkwoord
  • niet slagen bij een examen
"voor ['een examen'/'Frans'/'je rijbewijs'] zakken"

Synoniemen

Hyperoniemen

zakken
Werkwoord
  • naar beneden gaan
"Gelukkig zakte het waterpeil voor de dijk door kon breken."
zakken
Werkwoord
  • niet slagen voor een examen
"Ik ben weer gezakt voor mijn rijexamen."
zakken
Werkwoord
  • niet op de juiste toonhoogte blijven

Hyperoniemen

zakken
Werkwoord
  • langzaam stroomafwaarts drijven

Synoniemen

Hyperoniemen

zak (de ~ | meervoud zakken)
Zelfstandig naamwoord
  • scrotum; balzak; huidplooi waarin de teelballen zitten
"het kan hem geen zak schelen"

Synoniemen

Hyperoniemen

zak (de ~ | meervoud zakken)
Zelfstandig naamwoord
  • gat in een biljarttafel
"een bal in de zak stoten"

Synoniemen

Hyperoniemen

zak (de ~ | meervoud zakken)
Zelfstandig naamwoord
  • flexibel omhulsel van textiel, papier, leer of plastic om iets in op te bergen of te vervoeren
"in het zakje blazen"
"een plastic/papieren/leren zak"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zak (de ~ | meervoud zakken)
Zelfstandig naamwoord
  • huidplooi; draagzak van buideldieren; buidel van dieren

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zak (de ~ | meervoud zakken)
Zelfstandig naamwoord
  • opbergruimte in een kledingstuk
"zakken rollen"
"diep in zijn/de zak (moeten) tasten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zak (de ~ | meervoud zakken)
Zelfstandig naamwoord
  • tasje/zakje voor geld; bewaarplaats voor geld; portemonnee; buidel voor geld
"een (flinke) duit in het zakje doen"
"iets uit eigen zak betalen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord