Betekenis van:
hond


Voorbeeldzinnen

  1. Heeft hij een hond?
  2. Wat een grote hond!
  3. Die hond stinkt!
  4. De hond is dood.
  5. De hond ging weg.
  6. Ik heb een hond.
  7. Dit is jouw hond.
  8. Waar is jouw hond?
  9. Waar is mijn hond?
  10. Kijk naar die grote hond.
  11. Oscar was mijn moeders hond.
  12. Tom vroeg Mary waar de hond was.
  13. Ze was bang voor de hond.
  14. De hond van mijn buurman is dood.
  15. Hij zag een hond bij de deur.