Betekenis van:
stralen

stralen
Werkwoord
  • licht weerkaatsen
"De maan straalt bijzonder helder vannacht."
stralen
Werkwoord
  • straling uitzenden
"De zon straalt bijzonder helder vandaag."
stralen
Werkwoord
  • een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
"Na zijn spectaculaire prestatie straalde hij helemaal."
stralen
Werkwoord
  • als stralen uitgaan van
"de zon straalt"
"sterren stralen [aan de hemel]"

Synoniemen

Hyperoniemen

stralen
Werkwoord
  • niet slagen bij een examen
"voor ['een examen'/'een vak'] stralen"

Synoniemen

Hyperoniemen

straal (de ~ | meervoud stralen)
Zelfstandig naamwoord
  • bundel licht of warmte; smalle bundel licht
"een straal [licht]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

straal (de ~ | meervoud stralen)
Zelfstandig naamwoord
  • halve middellijn v.e. cirkel; lijn naar rand vanuit middelpunt cirkel
"een straal van [10 centimeter]"
"het geluid van de ontploffing was tot in een straal van twee kilometer te horen"

Synoniemen

Hyperoniemen

straal (de ~ | meervoud stralen)
Zelfstandig naamwoord
  • door een energiebron uitgezonden trillingen
"het geluid van de ontploffing was tot in een straal van twee kilometer te horen"

Hyperoniemen

Werkwoord