Betekenis van:
uitgaan

uitgaan
Werkwoord
  • te boven gaan
"Dit gaat boven alles uit."

Hyperoniemen

uitgaan
Werkwoord
  • leeg worden
"de kerk/bioscoop gaat uit"

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitgaan
Werkwoord
  • aannemen; steunen op, uitgaan van; steunen op
"uitgaan van [een hypothese/veronderstelling/gedachte]"
"ervan uitgaan dat [iets klopt]"

Synoniemen

Hyperoniemen

uitgaan
Werkwoord
  • ten einde gaan, eindigen
"uitgaan als een nachtkaars"

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitgaan
Werkwoord
  • op stap gaan
"elke zaterdag uitgaan"

Hyperoniemen

uitgaan
Werkwoord
  • uitgetrokken worden
"Deze laarzen gaan niet goed uit."

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitgaan
Werkwoord
  • ophouden met branden
"De vlam van de kaars ging uit door een sterke bries."
uitgaan
Werkwoord
  • klaar zijn met school en weg mogen
"Toen de school uitging, moesten we gelijk de stad in omdat de winkels anders dicht waren."
uitgaan
Werkwoord
  • naar de bar, disco of restaurant gaan
"We gaan met z'n drieën uit in plaats van met z'n allen."
uitgaan
Werkwoord
  • naar buiten gaan
"We moesten eerst het gebouw uitgaan voordat we mochten roken."