Betekenis van:
gaan

Werkwoord

gaan
in een toestand komen of raken
"gaan flippen"
"gaan hyperventileren"

Hyperoniemen

Hyponiemen

gaan
in actie zijn
"we gaan ervoor"
"voluit gaan"

Hyperoniemen

gaan
zich door ruimte begeven
"er gaan geruchten"
"door het hoofd gaan"

Hyperoniemen

gaan
zich vertonen in bepaalde kleding
"in een broekpak gaan"
"in het rood gaan"

Hyperoniemen

gaan
beheer voeren; taak hebben
"ergens over gaan"

Synoniemen

Hyperoniemen

gaan
als onderwerp hebben
"over [kabouters/politiek/sport/vrouwen] gaan"
"het gesprek gaat weer nergens over"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Bijvoeglijk naamwoord

gaan
denkbaar zijn; mogelijk zijn; mogelijk zijn
"er gaan zeven dagen in een week"
"de parkeerplaats is te klein, dat gaat niet"

Synoniemen

Hyperoniemen

Zelfstandig naamwoord

gaan
verkering hebben
"met iemand gaan"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord