Betekenis van:
slaan

slaan
Werkwoord
  • een damsteen slaan
"een dam/steen/pion slaan"

Hyperoniemen

slaan
Werkwoord
  • door slagen doen ontstaan
"munten slaan"

Hyperoniemen

Hyponiemen

slaan
Werkwoord
  • door slagen op een plaats of in een toestand brengen
"aan het [hamsteren/schelden] slaan"
"op de vlucht slaan"

Hyperoniemen

Hyponiemen

slaan
Werkwoord
  • door heen en weer bewegen geluid maken
"de zeilen slaan"

Hyperoniemen

Hyponiemen

slaan
Werkwoord
  • een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
"Hij sloeg hem met de vuist op de kin."
slaan
Werkwoord
  • het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
"De klok heeft al vier uur geslagen."
slaan
Werkwoord
  • ergens plotseling mee beginnen
"Het paard sloeg op hol."
slaan
Werkwoord
  • als onderwerp hebben
"op iemand/iets slaan"
"dat slaat (nou werkelijk) nergens op"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

slaan
Werkwoord
  • (van de hartspier) samentrekken en ontspannen
"je hart slaat"

Synoniemen

Hyperoniemen

slaan
Werkwoord
  • door zwaaiende beweging op de plaats brengen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord