Betekenis van:
kloppen

kloppen
Werkwoord
  • voel- of hoorbaar bewegen
"Zijn hart klopt."
kloppen
Werkwoord
  • hoorbaar tegen of op iets slaan
"Daar wordt op de deur geklopt."
kloppen
Werkwoord
  • in orde zijn, correct zijn
"Dit resultaat klopt met onze verwachtingen."
kloppen
Werkwoord
  • door slaan in een bepaalde toestand brengen
"Slagroom kloppen."
kloppen
Werkwoord
  • verslaan in een westrijd
"Hij werd in de tweede ronde geklopt."
kloppen
Werkwoord
  • (een tegenstander) overwinnen
"een team kloppen"
"iemand kloppen op [de 200 meter vrije slag]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kloppen
Werkwoord
  • (van de hartspier) samentrekken en ontspannen
"zijn hart klopt in zijn keel"
"met kloppend hart"

Synoniemen

Hyperoniemen

kloppen
Werkwoord
  • goedkeuren; instemming getuigen met; standpunt delen; erkennen; onderschrijven

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kloppen
Werkwoord
  • goedkeuren; akkoord gaan; toestaan; na keuring in orde bevinden

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

klop (de ~ | meervoud kloppen)
Zelfstandig naamwoord
  • doffe klap
"klop krijgen/geven"
"klop krijgen/geven"

Hyperoniemen

Werkwoord