Betekenis van:
overleven

overleven
Werkwoord
later sterven dan
"al je kinderen overleven"
"zijn baasje overleven"

Hyperoniemen

overleven
Werkwoord
in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
"Hij overleefde dat verschrikkelijke ongeval maar op het nippertje."
overleven
Werkwoord
een hogere leeftijd bereiken dan
"Willem overleefde zijn vader."
overleven
Werkwoord
voortleven na iemand anders overlijden
"De vader overleeft zijn kind."