Betekenis van:
weggaan

weggaan
Werkwoord
  • zich ergens vandaan begeven
"We moeten nu echt weggaan, anders komen we niet meer op tijd."
weggaan
Werkwoord
  • uitgaan, feesten
"Wilde jij vanavond nog weggaan?"
weggaan
Werkwoord
  • uit een relatie stappen
"De vriendin van de buurman is gisteren bij hem weggegaan."
weggaan
Werkwoord
  • door vertrek of verwijdering onzichtbaar worden
"weggaan bij [een firma]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen