Betekenis van:
aftrekken

aftrekken
Werkwoord
  • verwijderen door trekken
"je muts aftrekken"
"het behang van de muur aftrekken"

Hyperoniemen

aftrekken
Werkwoord
  • masturberen
"zich aftrekken"

Synoniemen

Hyperoniemen

aftrekken
Werkwoord
  • (een getal, algebraïsche vorm) in mindering brengen op een andere
"aftrekken van"

Hyperoniemen

Hyponiemen

aftrekken
Werkwoord
  • seksueel bevredigen; (een man) met de hand bevredigen
"iemand aftrekken"
"zich aftrekken"

Synoniemen

Hyperoniemen

aftrekken
Werkwoord
  • ergens heen trekken
"op iets/iemand aftrekken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

aftrekken
Werkwoord
  • korten; korten op betaling
"de schade van de waarborgsom aftrekken"

Synoniemen

Hyperoniemen

aftrekken
Werkwoord
  • rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
"Als je drie van vijf aftrekt, krijg je twee."
aftrekken
Werkwoord
  • iets met een trekkende beweging losmaken
"Hij heeft vandaag het blaadje van de scheurkalender afgetrokken."
aftrekken
Werkwoord
  • ''(Limburg)'' een foto (van iets of iemand) maken
"Als u in het hokje gaat zitten trek ik u zo meteen af."
aftrekken
Werkwoord
  • ''(Limburg)'' de wc doorspoelen
"Vergeet niet de wc af te trekken nadat je geplast hebt!"
aftrekken
Werkwoord
  • een infusie maken van iets
"Men kan het zaad ook wel in wijn aftrekken of thee maken van de bladeren."
aftrekken
Werkwoord
  • het strijdperk of de belegering verlaten
"Toen de vijand eindelijk afgetrokken was, haalde de hele bevolking opgelucht adem en werd er feest gevierd."
aftrekken
Werkwoord
  • naar beneden trekken

Hyperoniemen

aftrekken
Werkwoord
  • de trekker van een pistool overhalen
aftrekken
Werkwoord
  • (''Noord-Nederland'') ''zich ~'': masturberen van een man.
aftrekken
Werkwoord
  • de huid afstropen van; van het omhulsel ontdoen; (konijnen etc.) villen

Synoniemen

Hyperoniemen