Betekenis van:
optrekken

optrekken
Werkwoord
  • opbouwen
"een gebouw optrekken uit bakstenen"

Hyperoniemen

optrekken
Werkwoord
  • omgaan met
"optrekken met iemand"

Hyperoniemen

Hyponiemen

optrekken
Werkwoord
  • in de hoogte doen gaan
"de rente optrekken"
"de prijzen optrekken"

Synoniemen

Hyperoniemen

optrekken
Werkwoord
  • door trekken iets naar boven halen
"Als je een riem draagt hoef je je broek niet zo op te trekken."
optrekken
Werkwoord
  • zich naar een bepaald doel toe bewegen, meestal ten aanval
"Hij trok op naar de stad Samarkand en verwoestte deze."
optrekken
Werkwoord
  • op snelheid komen
"De auto trok bijzonder snel op."
optrekken
Werkwoord
  • verdwijnen of omhoog gaan
"De mist trok op, zodat we zagen waar we waren."
optrekken
Werkwoord
  • iets opbouwen
"De aannemer trok het bouwwerk in enkele weken op."
optrekken
Werkwoord
  • vloeistof vanuit een voorraadglas of -pot in een injectiespuit of pipet brengen
"De analist trok 5 milliliter oplossing op in de injectiespuit."
optrekken
Werkwoord
  • op een hogere versnelling overgaan, optrekken
"veel te snel optrekken"

Synoniemen

Hyperoniemen

optrekken
Werkwoord
  • ergens heengaan

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

optrekken
Werkwoord
  • steun vinden

Hyperoniemen