Betekenis van:
koersen

koersen
Werkwoord
  • aan een wielerwedstrijd deelnemen
"van voren koersen"

Hyperoniemen

koersen
Werkwoord
  • koers zetten (naar)
"naar het oosten koersen"
"op iets/iemand af koersen"

Hyperoniemen

koers (de ~ | meervoud koersen)
Zelfstandig naamwoord
  • geldwaarde t.o.v. andere munteenheden; koers op de beurs; het bepalen v.d. prijs
"de koersen dalen/'gaan omlaag'/stijgen/'gaan omhoog'"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

koers (de ~ | meervoud koersen)
Zelfstandig naamwoord
  • sport met races met paard, fiets of auto; wedstrijd om de snelheid
"een koers rijden"

Synoniemen

Hyperoniemen

koers (de ~ | meervoud koersen)
Zelfstandig naamwoord
  • richting v.d. af te leggen vaart of weg
"op koers liggen"
"uit de koers raken"

Hyperoniemen

Werkwoord