Betekenis van:
voorbijgaan

voorbijgaan
Werkwoord
  • langs iem. of iets gaan, passeren
"er gaat een tram voorbij"
"zo'n gelegenheid mag je niet voorbij laten gaan!"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

voorbijgaan
Werkwoord
  • langs een bepaald punt gaan
"Dezelfde fietser ging opnieuw voorbij."
voorbijgaan
Werkwoord
  • tot verleden gaan behoren
"Die tijd is voorgoed voorbijgegaan."
voorbijgaan
Werkwoord
  • niet in beschouwing nemen
"Er werd daarmee geheel voorbijgegaan aan de wil van de Iraanse bevolking."